<< Terug naar het nieuwsoverzicht

Een levensechte reconstructie van de dwergolifant van het eiland Tilos in het Natuurmuseum Rotterdam

In de laatste twee weken van het oude jaar en de eerste weken van het nieuwe jaar zal in de hal van het Natuurmuseum een bijzondere gast logeren. Het is een levensechte reconstructie van een Pleistocene dwergolifant waarvan vele duizenden resten (fossiele botten, tanden en kiezen) gevonden zijn op het Griekse eiland Tilos.

Deze reconstructie is vervaardigd door Hans Brinkerink van Vista Natura in Baarn, in opdracht van het Paleontologisch Museum van de Universiteit van Athene. Hans Brinkerink is geen onbekende in het Natuurmuseum. Al veel eerder vervaardigde hij de grote muurschildering van de wolharige mammoeten in de hal van het museum en ook was hij betrokken bij het monteren van het skelet van de potvis in de grootste vitrine van Nederland.

Wat zijn dwergolifanten?
Op verschillende eilanden in de Middellandse Zee, zoals Sicilië, Malta, Kreta, enkele kleine Griekse eilanden en Cyprus zijn fossiele overblijfselen gevonden van olifanten uit het ijstijdvak of Pleistoceen. Het zijn dikwijls resten die aanzienlijk kleiner zijn dan die van de fossiele olifanten van het vaste land. Het zijn resten van dwergolifanten. Doorgaans zijn ze meer dan de helft kleiner dan hun voorouders op het vaste land. Op Malta en Sicilië bijvoorbeeld zijn resten gevonden van volwassen dieren die niet hoger zijn geweest dan één meter (!).


Onderkaak van de dwergolifant Elephas antiquus falconeri
a) aanzicht binnenzijde (=tongzijde)
b) aanzicht op het kauwvlak van de molaar
c) aanzicht buitenzijde (=wangzijde) Uit: Symeonidis, 1972: Die Entdeckung von Zwergelefanten in der Höhle "Charkadio" auf der Insel Tilos (Dodekanes, Griechenland). Ann. Geol. Pays Hell. 24, pp. 445-461.


Elephas antiquus falconeri
a) Fragment linker bovenkaak met melk- of premolaar, aanzicht op het kauwvlak.
b) Onderkaaksfragment met een pre- of melkmolaar, aanzicht op het kauwvlak.
c) Dezelfde als b, aanzicht van de tongzijde.
Uit: Symeonidis, 1972: Die Entdeckung von Zwergelefanten in der Höhle "Charkadio" auf der Insel Tilos (Dodekanes, Griechenland). Ann. Geol. Pays Hell. 24, pp. 445-461.

Als stamvader van de vele verschillende eiland vormen geldt de Pleistocene bosolifant, Elephas antiquus. Een olifant uit warmere perioden die, zijn populaire naam zegt het al, in een beboste omgeving geleefd heeft. De temperatuur moet aangenaam zijn geweest: gelijktijdig kwamen ook nijlpaarden voor. Fossiele resten van deze bosolifant zijn uit geheel Europa en delen van Azië bekend. De beenderen zijn herkenbaar aan hun zware bouw, hun slagtanden waren behoorlijk recht, in tegenstelling tot die van mammoeten die spiraalvormig gekruld waren. En hun molaren vertonen op het kauwvlak een ruitvormig patroon dat ook weer aanzienlijk afwijkt van het richel-patroon bij de verschillende soorten mammoeten uit het ijstijdvak.

De bosolifant is een groot dier geweest: met gemak haalde het een schouderhoogte van drie meter. Er wordt algemeen aangenomen dat het voor olifanten mogelijk moet zijn geweest om gedurende de ijstijden eilanden te bereiken. Omdat de zeespiegel aanzienlijk schommelde en flink kon zakken werden de afstanden tussen de eilanden en het vaste land soms veel kleiner en soms ontstonden er landbruggen. Zo zijn er in Noord-Amerika mammoeten in het laatste deel van het Pleistoceen terecht gekomen op de zogenaamde Channel Islands voor de kust van Californië. De afstand van het continentale deel van Amerika tot deze eilanden was toentertijd slechts een vijfde van de afstand die men tegenwoordig meet. Eenmaal op de eilanden moet een dwerggroei zijn ingezet als gevolg van aanpassing aan een veranderend leefmilieu, namelijk dat van het eiland.

Olifanten zijn goede zwemmers of drijvers: bij de bestudering van dwergolifanten en de geologie van de eilanden waar ze gevonden zijn heeft men vastgesteld dat de olifanten daar niet via landbruggen zijn terecht gekomen, simpelweg omdat die landbruggen er niet geweest zijn. Zwemmen moeten de uitgestorven olifanten goed gekund hebben, net als de nu nog levende soorten. Grote katachtige roofdieren zwemmen niet zo gemakkelijk zeeëngten over, met als gevolg dat op vele eilanden fauna’s voorkwamen zonder grote roofdieren, maar wel met olifanten en andere zoogdieren zoals nijlpaarden en herten. Bij het aanbreken van een warme periode (interglaciaal) nam de afstand tussen de eilanden en het het vaste land weer toe door het stijgen van de zeespiegel (veroorzaakt doordat de landijskappen smelten door de hogere temperatuur). Voor eilanden betekende dit -behalve een groter isolement- ook een aanzienlijke verkleining van de oppervlakte, zodat er twee factoren aan te wijzen zijn die samen van invloed zijn geweest op de grootte van olifanten: door het ontbreken van grote roofdieren was het niet nodig dat ze groot waren en het was zelfs niet wenselijk omdat de hoeveelheid voedsel op een eiland eindig is en eerder uitgeput raakt door grote dieren die veel eten. Een volwassen Indische of Afrikaanse olifant verorbert per dag zo’n 180 kg voedsel! In de nieuwe leefomgeving werd dus selectiedruk uitgeoefend ten gunste van de eigenschap “klein”, dat wil zeggen dat kleinere olifanten zich makkelijker dan grotere tot de voortplanting in leven konden houden en daardoor kleine nakomelingen kregen die weer meer overlevingskansen hadden dan de al minder voorkomende grote, etc.

Het geschetste mechanisme had niet alleen invloed op de afmetingen van olifanten, maar ook op die van andere grote zoogdieren op verschillende eilanden over de hele wereld. Zo hebben er dwergnijlpaarden, -herten en -antilopen bestaan. Bij knaagdieren en insekteneters werkte de selectiedruk in omgekeerde richting: er waren geen grote roofdieren om voor weg te kruipen in spleten en holen (een oorzaak van geringe afmetingen) en groter zijn betekende een betere concurrentiepositie. De voorwaarde voor het ontstaan van deze zogenoemde endemische eilandzoogdieren was uiteraard dat het isolement van hun populaties lange tijd gehandhaafd bleef. Het droogvallen van een verbinding met het vasteland zal in een aantal gevallen het einde betekend hebben, omdat vanaf dat moment roofdieren toegang hadden tot het gebied. De komst van de mens heeft vermoedelijk hetzelfde ingrijpende effect gehad.

Paleontologisch Museum Athene
Nederland kent een lange traditie van wetenschappelijk onderzoek naar pleistocene eilandfauna’s. Dr Paul Y. Sondaar, verbonden aan het Natuurmuseum Rotterdam, heeft bijna zijn hele leven gewijd aan fossiele overblijfselen van zoogdieren die hij o.a. opgroef op Middellandse Zee-eilanden. Veel van zijn studenten aan de Universiteit van Utrecht hebben hem vergezeld op zijn expedities en zijn in enkele gevallen gepromoveerd op een bepaalde diergroep van een eiland. Dr John de Vos, conservator aan het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden, promoveerde op de dwergherten van het eiland Kreta. De Vos is nu betrokken bij de herinrichting van het Paleontologisch Museum van de Universiteit van Athene. En zo werd het idee geboren om vooral ook aandacht te schenken aan de typische Griekse fossielen: de klassieke Pliocene vindplaats van Pikermi en de eilandfauna’s uit het Pleistoceen. Een van de meest in het oog springende collecties in het Griekse museum is die van fossiele beenderen van dwergolifanten van verschillende Griekse eilanden en Tilos in het bijzonder. Om een goed verhaal bij de tentoon te stellen overblijfselen van olifanten te vertellen, is besloten ook een reconstructie te vervaardigen om het publiek te laten zien hoe zo’n dwergolifant er uit heeft gezien. Een dergelijk “life-size” model zal dan tevens als publiekstrekker kunnen dienen. Al gauw kwam men op het idee om Hans Brinkerink hier voor aan te trekken. In 2000 maakte Hans al voor hetzelfde museum een reconstructie van een fossiele reuzenschildpad (Geochelone) die in levende lijve 2,50 meter lang en 1,20 meter hoog moet zijn geweest, een soort wandelende VW Kever.

Voorbereiding
In Mei 2002 is Hans Brinkerink met hulp van George Lyras van het Griekse museum en John de Vos aan de slag gegaan. Eerst werd de nodige literatuur vergaard om zo veel mogelijk gegevens over maten van beenderen, de vorm van de slagtanden en de vorm van de schedel te vergaren. De fossiele overblijfselen in het museumwerden als uitgangspunt gekozen. Doel was immers om een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie neer te zetten van de dwergolifant Elephas antiquus falconeri. Nog steeds graaft de universiteit van Athene naar fossiele beenderen van deze Elephas soort op Tilos. Deze soort is onder andere ook goed bekend van Sicilië. Daar zijn in de wereldvermaarde Spinagallo-grot duizenden botten (of botjes is eigenlijk beter) van deze soort opgegraven. Er was zoveel materiaal aanwezig dat er met het grootste gemak vier samengestelde skeletten konden worden opgesteld in het Universiteitsmuseum van Rome. Het grootste skelet, dat van een volwassen stier, meet 1 meter schouderhoogte!

Aanvankelijk ging men er van uit dat er op het eiland Tilos twee verschillende soorten dwergolifanten geleefd hebben. Dat zouden Elephas falconeri en Elephas mnaidriensis zijn geweest. Men is daar later op terug gekomen. Er zijn extreem kleine dieren geweest met een schouderhoogte van circa 1 meter en er zijn er geweest die ruim 1,5 meter schouderhoogte hebben bereikt. Tegenwoordig gaat men er van uit dat deze grootte verschillen het gevolg zijn van het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes, het zg. sexuele dimorfisme. In dat geval hebben we te maken met een en dezelfde soort: Elephas antiquus falconeri. De voorouder was de vastelandvorm Elephas antiquus, de bosolifant met de rechte slagtanden. Ook in deze soort is een extreem sexueel dimorfisme vastgesteld.

De reconstructie van de dwergolifant
Er werd besloten dat de reconstructie een volwassen stier moest worden met een schouderhoogte van 160 cm. Daartoe maakte Hans Brinkerink eerst een schaalmodel uit klei waar vervolgens door deskundigen op ‘geschoten’ mocht worden. Dit is een van de moeilijkste onderdelen van de reconstructie geweest, want weke delen zoals huid en haar zijn van deze uitgestorven soort slurfdrager nooit gevonden. Ook waren er geen grottekeningen zoals we die wel kennen van bijvoorbeeld wolharige mammoeten die een reconstructie aanzienlijk zouden vereenvoudigen. Nadat men het er over eens was hoe het dier er uitgezien moest hebben kon Hans beginnen met het grotere werk. Er werd een stalen frame gelast dat vervolgens met gaas bekleed werd. Hierover is een laag papiermaché aangebracht en daarover een laagje polyester. Op dit laagje polyester werd vervolgens 200 kilo klei aangebracht waarin, gebaseerd op de huid van recente olifanten, de structuur van de huid van de dwergolifant kon worden geboetseerd. Nadat dit karwei geklaard was kon een mal gemaakt worden die moest dienen voor het vervaardigen van een exact afgietsel van de uiteindelijke reconstructie van de dwergolifant. Er is van polyester, in verschillende delen, een model afgegoten dat in elkaar gezet is en afgewerkt. Er is een kleur op aangebracht en op enkele plaatsen is wat haar aangebracht zoals op de kruin van de schedel en aan de kin op de onderkaak. Er zijn in de schedel kunststof ogen met fraaie wimpers aangebracht. Tot slot moest er nog een paar slagtanden vervaardigd worden die gebaseerd zijn op tanden die op Tilos gevonden zijn.

De tanden van Elehas antiquus falconeri zijn licht gebogen en de punten vertonen duidelijke slijtsporen. Een teken dat deze dwergolifanten hun tanden veelvuldig gebruikt hebben. Mogelijk zijn de olifanten vaak in grotten geweest (hun meeste resten zijn uit grotten bekend geworden) om naar mineralen in rotswanden te zoeken. Dit is ook bekend van recente olifanten in Afrika die regelmatig in grotten gaan op zoek naar mineralen. Door de wanden van grotten te bewerken blijven in het ivoor, en vooral aan de uiteinden, kenmerkende sporen achter. Er zijn in een grot op Tilos ook opvallend veel splinters van slagtanden van de dwergolifant gevonden, soms aangemerkt als werktuigen, maar die ook ontstaan kunnen zijn door een krachtig gebruik van de tanden tegen de grotwanden. Toen de tanden in de reconstructie gemonteerd waren restte er slechts hier en daar nog een likje verf. Na 900 uren van noeste arbeid had Hans zijn klus geklaard. De complete reconstructie weegt niet meer dan 80 kg, in levenden lijve zal het dier toch wel meer dan duizend kilo hebben gewogen.

Natuurmuseum Rotterdam
Een volgende klus diende zich bij Hans Brinkerink aan en dus moest er ruimte in zijn atelier geschapen worden. Echter in verband met de december feestdagen was een transport per vrachtauto van de dwergolifant naar Griekenland moeilijk te realiseren. Het Natuurmuseum Rotterdam bood Hans een oplossing: laat de reconstructie van de dwergolifant tijdelijk logeren in de hal van het museum. Zo gezegd, zo gedaan: tot midden januari 2003 is Elephas antiquus falconeri te bewonderen in de mammoethal.

Dick Mol

<< Terug naar het nieuwsoverzicht