<< Terug naar het nieuwsoverzicht

Paul Sondaar (1934-2003): man van paarden en eilanden

Op 25 maart overleed in zijn nog maar net nieuwe woonplaats Middelburg de man die aan de wieg van de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren stond, dr Paul Yves Sondaar. Hij leed aan kanker en moest de ongelijke strijd helaas op veel te jonge leeftijd opgeven. Hij is 68 jaar geworden. In december 1999 werd in Rotterdam zijn 65e verjaardag gevierd met een internationaal symposium dat hem bij wijze van surprise party werd aangeboden. Bij die gelegenheid werd hem de feestbundel Elephants have a snorkel overhandigd, 420 pagina’s met tientallen artikelen die door zijn vele vrienden en collega’s geschreven waren.


Paul Sondaar studeerde geologie in Utrecht en promoveerde eind 1960 op een dissertatie over Spaanse fossiele paarden van het genus Hipparion. Het proefschrift, dat in Spanje verscheen, zou zijn eerste publicatie worden in een lange reeks van meer dan 200 wetenschappelijke en populaire artikelen, kinderboeken en zelfs een paleontologisch kleurboek. Paarden bleven één van de rode draden in zijn wetenschappelijke loopbaan. Tot enkele weken voor zijn dood was Paul Sondaar nog altijd bezig met Hipparion, want hoewel hij al meer dan tien jaar geleden door de Universiteit Utrecht bij een bezuinigingsronde was ontslagen bleef hij stug doorwerken. Paul had in het enkelgewricht van fossiele paarden een kenmerk ontdekt dat hij interpreteerde als behorende bij een afwijkende manier van lopen. Dit kenmerk--de stand van gewrichtsvlakken in het sprongbeen--is te vinden bij diverse geslachten, ook bij Hipparion. Paul, die nooit verlegen zat om een boude bewering, was van mening dat hier een aparte genusnaam voor moest worden gecreëerd: Antihippus, het ‘tegenpaard’. Voor wie Paul gekend hebben is dit een voor Paul wel zeer kenmerkende naam, maar tot de geldige wetenschappelijke publicatie van de naam Antihippus is het helaas nooit gekomen.

Paul Sondaar is in de internationale paleontologische wereld vooral bekend geworden om zijn eilandenonderzoek. Zijn--achteraf gezien--wellicht belangrijkste wapenfeit blijkt de deelname in 1976 aan een congres in London over ‘Major Patterns in Vertebrate Evolution’. Het resulteerde in zijn publicatie die een jaar later verscheen onder de titel ‘Insularity and its Effect on Mammal Evolution’, waarin hij voortborduurde op de door MacArthur & Wilson in 1967 met hun beroemde boek ‘The Theory of Island Biogeography’ ingeslagen weg. Sondaar introduceerde de term sweepstake route voor de manier waarop bepaalde diersoorten op eilanden weten te komen en andere groepen niet. Het is een kwestie van (uiterst kleine) kans, maar wie éénmaal op een eiland terecht is gekomen, gaat een prachtige toekomst als endemische eilandsoort tegemoet. Op eilanden worden vaak (verdwergde) olifanten, nijlpaarden en soms herten aangetroffen, naast reuzenschildpadden en grote knaagdieren. Dergelijke vormen kunnen hetzij zwemmend (een beroemde uitspraak in dat kader was zijn ‘olifanten hebben een snorkel!’), danwel raftend (op drijvende eilanden of natuurlijke vlotten) grote stukken zee overbruggen. Andere groepen, zoals paarden of roofdieren, lukt dat niet. Eilandfaunas zijn derhalve meestal ongebalanceerd, dat wil zeggen bestaand uit een klein aantal soorten, bovendien ondergaan deze soorten dankzij het genetische flessehals-effect interessante veranderingen, zoals verdwerging (olifanten, nijlpaarden, herten), reuzengroei (schildpadden, muizen, egels), verlies van vliegvermogen (waterhoentjes, de kiwi, sommige insecten), of het ontstaan van kortere pootjes (nijlpaardjes en de Mallorcaanse dwerggeit).
Sondaars eiland-gebonden werkterrein bevond zich aanvankelijk in het Middellandse Zee gebied: Kreta, Cyprus, Mallorca, Sardinië; in latere jaren verlegde hij zijn activiteit ook naar Zuidoost Azië: Java, Flores, Sulawesi.

Toen in het begin van de jaren ’90 de Universiteit Utrecht weer eens aan een bezuiniging toe was raakte Paul zijn baan kwijt. Dat feit is sindsdien behoorlijk aan hem blijven knagen en heeft onevenredig veel van zijn tijd en energie opgeslurpt. Paul was er de man niet naar om zich bij de feiten neer te leggen, hij bleef strijden, via ambtenarenrechters, gewone rechters en met behulp van diverse advocaten. Het mocht allemaal niet baten. Gelukkig waren er ook instituten die Paul wél op zijn waarde wisten te schatten. Dat bleken voornamelijk natuurhistorische musea, die niet, zoals universiteiten, worden geregeerd door een over-sized bureaucratisch en bijtijds Kafkaësk ambtenarenapparaat. Dus had Paul Sondaar aanstellingen als honorair conservator van het Parijse Muséum national d’histoire naturelle, het Forschungsinstitut Senckenberg in Frankfurt, het American Museum of Natural History in New York, het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam en het Natuurmuseum Rotterdam. Hij had danook geen gebrek aan een wetenschappelijk dak boven zijn hoofd.

Zelf leerde ik Paul kennen in het studiejaar 1972-1973, toen ik als 19-jarige student op het oude Geologisch Instituut in Utrecht voor het eerst met fossiele botten kennismaakte. Paul maakte me wegwijs in de destijds enorme collecties in Utrecht, en ook in het zoogdierskelet. Door hem leerde ik het verschil tussen een dijbeen, een scheenbeen en een opperarmbeen kennen. Het was bovendien ook Paul die mij in datzelfde studiejaar aanraadde om eens naar Mallorca te gaan: hij had daar een vriend die een soort privé-museum runde en die ook fossiele botten opgroef. Die vriend was dr Bill Waldren, die--intussen al 79 jaar oud--onlangs de tentoonstelling over de prehistorie van de Balearen ‘Tussen Toerist en Talaiot’ opende in het Natuurmuseum Rotterdam. Mijn gang naar Mallorca in 1973 zorgde ervoor dat ik uiteindelijk paleontologie ben gaan doen, en nog steeds doe.

De vele tientallen studenten, promovendi en vrienden die Paul Sondaar in de loop van lange tijd om zich heen had verzameld zullen zich ook vooral de niet-paleontologische kant van deze geboren Bourgondiër herinneren. (Paul werd geboren in het dorpje Gif-sur-Yvette, ten zuiden van Parijs, weliswaar niet ín de Bourgonge, maar er klaarblijkelijk toch dicht genoeg bij in de buurt.) Hij had een grote liefde voor practical jokes en was onvermoeibaar als kok. Paul Sondaar kon toveren met een paar simpele ingrediënten: een stuk vlees, een bol knoflook, wat verse kruiden, een stuk brood en een glas wijn waren al wat hij nodig had om een avondlang pret te hebben. En velen met hem.


Jelle W.F. Reumer

<< Terug naar het nieuwsoverzicht