<< Terug naar het nieuwsoverzicht
Kor vangt bot in de Oosterschelde
Wetenschap is vooral goed kijken, dat bleek weer eens tijdens de 54ste Kor en Bottocht. Tijdens deze jaarlijkse vistocht naar fossiele botten op de Oosterschelde werden een handwortelbeentje en een schouderbladje opgevist die niet onmiddellijk thuisgebracht konden worden. Pas na vergelijking met exemplaren in de collectie van Naturalis kwam vast te staan dat het handwortelbeentje heeft toebehoord aan een paard en het schouderbladje aan een mammoetkalfje.

Tussen de
inhoud die de kor op het dek uitstort zitten soms fossielen.
Kor en
Bot
Kor en Bot is een club enthousiastelingen die meer te weten willen komen over
het dierenleven in vroeger tijden.
Vaste opvarende is paleontoloog Dr. John de Vos, conservator fossiele gewervelde dieren van Naturalis. Eén keer per jaar organiseert Kor en Bot een vistocht op de Oosterschelde, om te proberen versteende botten omhoog te halen van dieren die twee miljoen jaar geleden in ons land leefden. Skeletresten van die ouderdom liggen elders honderden meters diep in de bodem. Maar in enkele diepe putten in de Oosterschelde komen twee miljoen jaar oude lagen aan de oppervlakte - de botten die er in zitten dus ook. Duiken in deze tot 50 meter diepe putten is geen optie, hoewel het Oosterscheldewater behoorlijk helder is. De fossielen liggen wijd verspreid en de duiktijd op die diepte bedraagt hooguit een kwartier, te kort dus om iets te vinden. Om de fossielen naar boven te halen is professioneel vistuig nodig.
In de haven van Zierikzee vinden de leden van Kor en Bot precies wat ze nodig hebben: mosselkotters. De schepen zijn voorzien van twee of vier mosselnetten of 'korren'. Daarmee kun je prima de bodem afschrapen. Alleen: het huren van een mosselkotter is een dure grap en de meeste mosselvissers zijn blij dat ze in het weekend even niet op hun schip hoeven te zitten. Maar gelukkig wonen er in Zierikzee mensen die net zo gek zijn op fossielen als de leden van Kor en Bot: de schippersfamilie Schot. De liefde voor het verleden gaat bij de Schotten zelfs zover dat zij hun schip, ZZ10 - De Vier Gebroeders, gratis en voor niets ter beschikking stellen van de wetenschap, inclusief de kosten voor diesel en bemanning. Opa Schot is daar 54 jaar geleden mee begonnen en de traditie houdt tot op de dag van vandaag stand.



Botje
van de voorvader van de Zeeuwse knol
Goed, het is zaterdag 4 september en we hebben een schip, maar is er ook wat
te vangen? De harten van de opvarenden gaan sneller kloppen als schipper Jaap
Schot de lieren laat vieren en volle kracht vooruit vaart om de eerste trek te
maken in het zogenaamde Gastenputje, een 50 meter diepe geul tussen Zierikzee
en de stormvloedkering. Achterin de ZZ10 puft een 750 pk sterke Cummins diesel
en die heeft geen enkele moeite om de ijzeren korren over de bodem te trekken.
Even stokt het schip en de lier trekt strak. Een teken dat de kor een paar zware
keien te pakken heeft. Op de een of andere manier weten die stenen in de loop
der jaren een weg te vinden van de dijk naar de bodem van de Oosterschelde. De
korren zijn echter heel fijnmazig en kunnen ook kleine voorwerpen vasthouden.
Dat is ook hun taak, want de vissers gebruiken de netten om mosselen op hun percelen
te oogsten.

Botje
met vastgehechte schelpen Foto: Andre Slupik
Zo gebeurde het dat na een tiental trekken ineens een paar aan elkaar gegroeide schelpen op het dek belandden. De schelpen hadden zich vastgehecht aan een klein bruin voorwerp met een geometrische vorm. Een bot of een steentje? Nee, toch een bot. Duidelijk tekenden zich op alle zijden van het voorwerp scherpe vlakken af.
Paleontoloog John de Vos, die het botje als een van de eersten in handen had, wist onmiddellijk te vertellen dat het niets anders kon zijn dan een beentje uit de pols van een groot zoogdier. Wijzend op de platte zijden: "Als je veel botten in handen hebt gehad weet je dat dit gewrichtsvlakken zijn, waarmee het bot aan andere botten heeft gescharnierd. En zo'n hoekige vorm zie je alleen bij beentjes uit de pols."
Tja, dan rijst de vraag: van welk dier is het geweest? Van een neushoorn, was de eerste indruk van de deskundigen aan boord. Maar was het dat ook? Goed, de neushoorn is geen onbekende in de Oosterschelde. Maar veel vaker worden botten van herten en paarden opgevist, dus van een van die dieren zou het ook kunnen zijn. Ook resten van olifantachtigen worden af en toe in de korren gevangen, maar de botten van die dieren zijn veel groter.

Het opgeviste
polsbeentje. De schelpen zijn verwijderd.
John de Vos is het type wetenschapper van 'eerst zien dan geloven'. Je kunt volgens hem pas definitief iets over een bot zeggen als je het grondig hebt vergeleken met goed gedetermineerde exemplaren in een bestaande collectie. Onmiddellijk na thuiskomst is De Vos dan ook de Naturalis-collectie ingedoken, met het opgeviste botje in de hand. In Naturalis zijn zo'n beetje alle skeletonderdelen van fossiele neushoorns, herten, runderen en paarden aanwezig. Alles is per skeletonderdeel keurig opgeborgen in dozen. De dozen staan op lange stellingen en zijn gerangschikt naar de positie die de botten innemen in het skelet. Vooraan vind je alle onderdelen van de kop, helemaal achteraan de botjes van de staart, en de dozen met wervels, schouderbladen en poten liggen daar tussenin.
Behalve vaststellen
van welke diersoort het botje is, wilde De Vos ook achterhalen met welk
polsbotje hij te maken had. De Vos: "In de pols van grote zoogdieren
zitten zes botjes en die lijken veel op elkaar. Zien dat het een polsbotje
is is één. Maar bepalen wélk botje is een stuk lastiger."
Polsbotjes lijken zoveel op elkaar, omdat ze als puzzelstukken tegen elkaar
zitten. Bij grote hoefdieren als hert, rund, neushoorn en paard zitten ze zo
stijf op elkaar dat ze een stevig blok vormen tussen spaakbeen en ellepijp
aan de ene kant en het middenhandsbeen, of de middenhandsbeenderen, aan de
andere kant. In tegenstelling tot bij de mens laat het polsgewricht bij grote
zoogdieren vrijwel geen beweging toe. Alleen aan de bovenkant, waar de polsbeentjes
scharnieren met het spaakbeen, is draaiing in voor- en achterwaartse richting
mogelijk.
Als eerste keek De Vos naar polsbotten van de neushoorn. Maar dat dier viel meteen als kandidaat af. Neushoornbotten blijken niet alleen groter, maar hun vorm is ook totaal anders. De polsbeentjes van herten en runderen, die daarna werden bekeken, hadden ongeveer het juiste formaat maar zagen er ook anders uit dan het botje uit de Oosterschelde.
Toen ging de doos met paardenbotten open. En ja hoor, daar lag een botje dat als twee druppels water op het opgeviste polsbeentje leek. Zorgvuldig werden de twee botjes van alle zijden met elkaar vergeleken. Ze waren volkomen identiek. Het opgeviste botje had dus toebehoord aan een paard dat twee miljoen jaar geleden in Zeeland leefde. Bij paleontologen staat dit paard bekend als Equus robustus. Het kon zo groot worden als een Zeeuwse knol, vandaar de naam robustus, dat robuust of groot betekent.

Polsgewricht
van een modern paard, met de positie van het lunatum.
Behalve de
determinatie 'paard' was meteen ook de naam van het botje duidelijk.
Op het etiket bij het botje in de paardendoos stond de naam van het botje
vermeld: lunatum. De naam lunatum is afgeleid van het Latijnse woord
luna, dat maan betekent. Het botje dankt zijn naam aan een gekromd puntig
uitsteeksel aan de bovenkant, dat de vorm heeft van een halve maan. Het
lunatum is het middelste botje in de eerste rij polsbeentjes. Aan alle
zijden, behalve aan de voor- en achterkant is het botje omgeven door
andere botten. Die inklemming verklaart ook de hoekige vorm.
Schouderbladje van een babyolifant
Tijdens de vistocht kwam ook een plat stuk been met een driehoekige vorm naar
boven. De onderkant was dik en rond, met een ovaalvormige holte. Die holte was
duidelijk een gewricht waarin een been met een bolle kop heeft gescharnierd.
Het fragment was hierdoor meteen te herkennen als een schouderblad. De deskundigen
aan boord wisten niet meteen aan welke diersoort ze het schouderblad moesten
toeschrijven. Wel zagen ze dat het van een jong dier moet zijn geweest. De ovale
kom was namelijk niet glad maar ruw. De kraakbeenschijf die de gewrichtsholte
bekleedde (de zogenaamde epiphyse) was nog niet met het schouderblad vergroeid
en had losgelaten. Pas als een dier volwassen is verbeent de kraakbeenschijf
en smelt hij samen met het schouderblad.

Het schouderbladje
bleek van een mammoetkalfje te zijn.
Het schouderbladje werd op een andere plek opgevist dan het handwortelbeentje van het paard. Omdat de trekken in het Gastenputje niets meer opleverden werden de zoekacties aan het eind van de dag verplaatst naar de even verderop gelegen Schaar van Colijnsplaat. Dit is een tot 30 meter diepe geul waaruit in het verleden fossielen van landzoogdieren zijn opgevist. Deze fauna is echter niet zo oud als die in het Gastenputje.
In Naturalis is het fragment vergeleken met de schouderbladen van steppenwisent, paard en mammoet. Paard en wisent vielen snel af. Het driehoekige blad begint bij die dieren pas ver boven de gewrichtsholte. Toen het opgeviste fragment bij het schouderblad van een mammoet werd gehouden, was er geen twijfel meer mogelijk. Duidelijk was te zien dat het driehoekige blad net als bij de mammoet meteen bij de brede gewrichtskom uitwaaiert. Kor en Bot had dus het schouderbladje van een olifantachtige gevangen, alleen van een heel jong individu.
Uit de Oosterschelde zijn drie soorten olifantachtigen bekend: de mastodont, de zuidelijke mammoet en de wolharige mammoet. Het opgeviste schouderbladje is niet versteend, zoals de botten van de mastodont en van de zuidelijke mammoet die soms naar boven komen. Het moet dus van jongere datum zijn. Het meest waarschijnlijk is dat het schouderbladje van een wolharig mammoetkalfje is, een dier dat mogelijk stierf toen het nog geen jaar oud was.

Het schouderbladje
vergeleken met het schouderblad van een volwassen mammoet.
Het mammoetkalf moet ongeveer 100 centimeter hoog zijn geweest toen het stierf. Dit kon nagegaan worden met behulp van een afgietsel van een complete poot met schouderblad van een dwergolifant die op Sicilië is gevonden. John de Vos heeft de poot op zijn werkkamer staan. Toen de schouderbladen bij elkaar gehouden werden bleken ze precies even groot te zijn. Als het Oosterscheldemammoetje langer had geleefd was het veel groter geworden. Een volgroeide wolharige mammoet kon een schouderhoogte van ongeveer 320 centimeter bereiken.
Hansjorg Ahrens
ahrens@naturalis.nl