<< Terug naar het nieuwsoverzicht
Betekenis nieuwe ondersoort van de mens: Homo sapiens idaltu
Veel nieuwe vondsten van fossiele mensachtigen leiden tot nieuwe soortnamen. We worden in de paleoantropologie niet zo vaak geconfronteerd met (nieuwe) ondersoorten. Bekende uitzondering is de Neandertaler die nog wel eens wordt aangeduid als Homo sapiens neanderthalensis. De presentatie van de recentelijk in Ethiopië gevonden menselijke resten als Homo sapiens idaltu is daardoor opvallend. Te meer als we bedenken dat het lang niet altijd duidelijk is wanneer we met een soort of ondersoort te maken hebben. De vraag dringt zich onvermijdelijk op wat we moeten denken van een claim van een nieuwe ondersoort van de mens.
De fossiele resten van Homo sapiens idaltu beschreven in het 12 juni 2003 nummer van Nature door Tim White en zijn collega's zijn zonder twijfel spectaculair. Het materiaal bestaat uit drie gedeeltelijk bewaarde schedels: een kind en twee volwassenen. De nieuwe vondsten worden kortweg aangeduid als de Herto crania. Met name de mannelijke schedel "Herto Bou-VP-16/1" is een fraai fossiel. De datering tussen de 160.000 en 154.000 jaar geleden is zonder meer verrassend en valt in het "zwarte Afrikaanse gat". De auteurs geven Homo sapiens idaltu een evolutionaire positie tussen Homo rhodesiensis van zo'n 600.000 tot 300.000 jaar oud en fossiele vormen van de moderne mens, Homo sapiens sapiens, van zo'n 100.000 jaar geleden.
Verschillende wetenschappers gingen er op grond van moleculair genetisch onderzoek vanuit dat onze soort tussen de 100.000 tot 200.000 jaar geleden in Afrika moest zijn ontstaan maar fossiel bewijs ontbrak. Met de Herto crania ligt het bewijs plotseling letterlijk op tafel. De grote voorvechter van het "Out of Africa" model, Chris Stringer, begint zijn kop in hetzelfde nummer van Nature dan ook met "Newly discovered fossils from Ethiopia provide fresh evidence for the 'out of Africa' model for the origin of modern humans, …..". Voor degenen die het debat over de oorsprong van de moderne mens een tijdje hebben gevolgd zal het geen verrassing zijn dat de felle verdediger van het wedijverende Multiregionaal Evolutie model, Milford Wolpoff, het daar niet mee eens is, zijn reactie: "It tells us something about dates, it tells us something about features but it doesn't resolve the issue of where modern humans came from." Hoe kunnen twee topwetenschappers het zo hartgrondig met elkaar oneens zijn op grond van hetzelfde fossiele bewijs? Een belangrijk onderliggend aspect is dat er een subjectief element schuilt bij het beoordelen van kenmerken en dus het herkennen van soorten en ondersoorten.
Wetenschappers
die de neiging hebben veel soorten te herkennen in het fossiele bestand worden
splitters genoemd. Onderzoekers die tot het tegenovergestelde neigen en dus
veel variatie accepteren binnen een soort worden aangeduid als lumpers. Tim
White is betrokken geweest bij de geboorte van een aantal nieuwe soorten: Australopithecus
afarensis (1975), Ardipithecus ramidus (1994) en Australopithecus
garhi (1999). Allemaal vormen die in zijn werkgebied, Ethiopie, zijn
gevonden. Tim is eerder een splitter dan een lumper, een man van nieuwe namen.
Dat levert doorgaans aandacht, en nog veel belangrijker, mogelijk geld voor
verder onderzoek op.
Op school leren we dat organismen tot dezelfde soort behoren wanneer ze zich
onderling kunnen voortplanten. Vaak lijkt die vlieger op te gaan maar niet
altijd. Zelf Carl Linnaeus die soorten classificeerde in zijn wereldberoemd
Systema Naturae (1758) realiseerde zich later in zijn leven dat soorten niet
gefixeerd waren. Hij bracht ordening aan in de wereld die door God was geschapen,
daarin past het idee dat soorten onveranderlijk zijn. Tot op de dag van vandaag
gebruiken wij zijn binomiale naamsysteem. Soorten hebben een unieke dubbele
naam, die bestaat uit een geslachtsnaam en een soortnaam. Zo hebben we onze
eigen soortnaam Homo sapiens te danken aan Linnaeus (1758). Desalniettemin
observeerde Linnaeus dat verschillende plantensoorten konden kruisen en zo
ontstonden er nieuwe vormen die op soorten leken. De indruk bestaat mogelijk
dat hybriden in de natuur altijd onsuccesvolle doodlopende takken zijn. Dit
is echter niet het geval. In Nederland kennen we drie verschillende groene
kikkers: een kleine (Rana lessonae), een middelste (R. 'esculenta')
en een grote (R. ridibunda). In de tweede helft van de voorgaande
eeuw bleek dat de middelste vorm een hybride is van de kleine en de grote.
De middelste is een succesvolle vorm en komt wijd verspreid voor in Europa.
Soortgrenzen zijn niet altijd duidelijk en men spreekt in dit geval dan ook
wel van het "Rana esculenta-complex".
Volgens Darwin
ontstaan verschillende vormen van organismen geleidelijk uit elkaar volgens
het proces van evolutie. Alhoewel de titel van zijn boek "The Origin
of Species" het niet zou doen vermoeden, kon Darwin niet altijd goed
overweg met het begrip "soort". Bij een geleidelijk overgaan van
de ene vorm in de andere, volgens het proces van een altijd aanwezige natuurlijke
selectie, past geen begrip dat onveranderlijkheid zou kunnen suggereren.
Hij merkt dan ook op in zijn wereldberoemde werk (1859): "The term species
thus comes to be a mere useless abstraction, implying and assuming a separate
act of creation." Evolutie vindt altijd en overal plaats. De levende
wereld om ons heen is niet gefixeerd maar continue in beweging waarbij levensvormen
overgaan in anderen, divergeren in allerlei andere vormen of uitsterven.
Ons leven is te kort om deze continue beweging te zien. Wij zien als het
ware een stilstaand beeld waardoor we makkelijk de indruk krijgen dat levensvormen
om ons heen bestaan uit vaste eenheden maar dit is niet het geval.
Geen wonder dat men het bij het herkennen van soorten niet altijd met elkaar
eens kan worden. Duik in een wat omvangrijkere groep van verschillende nauw
verwante levensvormen, bestudeerd door een x aantal wetenschappers en je kan
wachten op de taxonomische problemen. Neem bijvoorbeeld de dingo, voor dit
dier kan je de volgende wetenschappelijke namen tegenkomen: als zelfstandige
soort Canis dingo, als ondersoort van de hond Canis familiaris en als ondersoort
van de wolf Canis lupus. Voor één en hetzelfde dier drie verschillende
wetenschappelijke soortnamen. De zaak rond het geslacht Canis ligt zelfs nog
wat gecompliceerder. Leden uit dit geslacht zoals de wolf, coyote, jakhals
en hond zijn namelijk onderling kruisbaar. Vanuit dit standpunt bezien zou
men kunnen beargumenteren dat we niet met duidelijke soorten te maken hebben.
Variaties binnen een soort kunnen we vaak terugvoeren op seksueel dimorphisme (verschil tussen de geslachten), polymorphisme (discontinue variaties in fenotypes of allel frequenties) of ondersoorten (variatie op grond van verspreidingsgebied). Ondersoorten leveren ons een trinomiaal naamsysteem op, achter de soortnaam komt een derde naam die aangeeft met welke geografische vorm we te maken hebben. Zo worden er op grond van morfologie drie ondersoorten herkent van de gorilla (Gorilla gorilla), namelijk: de westelijke laagland gorilla (Gorilla gorilla gorilla), de oostelijke laagland gorilla (Gorilla gorilla graueri) en de berg gorilla (Gorilla gorilla beringei). Ook hier ligt de zaak weer wat ingewikkelder want genetisch onderzoek heeft onderzoekers er toegebracht twee verschillende soorten gorilla's te herkennen ieder met twee ondersoorten: de westelijke gorilla's (Gorilla gorilla gorilla en Gorilla gorilla diehli) en de oostelijke gorilla's (Gorilla beringei beringei en Gorilla beringei graueri). Bij het herkennen van soorten en ondersoorten kunnen we dus tot verschillende resultaten komen afhankelijk of we naar het fenotype of genotype kijken.
De grens tussen
soort en ondersoort is niet altijd helder. Darwin zou Darwin niet zijn geweest
als deze problematiek hem niet zou zijn opgevallen (1859): "Certainly
no clear line of demarcation has as yet been drawn between species and sub-species
-…..." Dit wordt het mooist gedemonstreerd door de zogenaamde
ringsoorten. Alhoewel ondersoorten per definitie onderling kruisbaar zijn,
aangezien we het over de variatie binnen een soort hebben, is dit niet altijd
volledig het geval. Bij een zogenaamde ringsoort is een keten van ondersoorten
onderling kruisbaar maar daar waar de uiteinden van de keten elkaar ontmoeten
is dit niet langer meer het geval en zouden we dus eigenlijk moeten spreken
van twee verschillende soorten. Twee goed gedocumenteerde gevallen zijn die
van de Amerikaanse salamander Ensatina eschscholtzii en de meeuw Larus
argentatus.
Je hoeft geen fysisch antropoloog te zijn om te constateren dat het recente
uiterlijk van mensen onderling sterk kan verschillen. Soorten of ondersoorten?
Het is duidelijk dat we niet met verschillende soorten te maken hebben want
mensen over de gehele wereld kunnen zich onderling prima voortplanten. We hebben
dus met één soort te maken: Homo sapiens. Voor de geografische
variatie bij de mens werd doorgaans de term ras gebruikt. In zekere zin, afhankelijk
van de definitie, zijn de termen ras en ondersoort verwisselbare termen. Teuku
Jacob (1967) merkte ooit op: Race is equal to subspecies, and thus, it is a
real biological entity. Beide termen proberen variatie beneden het niveau van
de soort weer te geven. In de praktijk is de term ras vaak een lastig te gebruiken
begrip omdat verschillende mensen er allerlei ideeën over kunnen hebben,
zowel biologisch als cultureel van aard, die niet met elkaar in overeenstemming
zijn. Linnaeus (1758) onderscheidde verschillende subcategorieën bij de
mens. Maar de tijden dat we het nog over Homo sapiens afer, Homo
sapiens americanus, Homo sapiens asiaticus en Homo sapiens
europaeus hadden ligt inmiddels achter ons. Genetisch gezien lijken mensen
ontzettend veel op elkaar lijken. Tegenwoordig komen we in de paleoantropologische
literatuur doorgaans maar één ondersoort van de huidige mens
tegen: Homo sapiens sapiens.
Het gegoochel met soort- en ondersoortnamen is niet beperkt tot nu nog levende organismen maar wordt in beperkte mate ook gebruikt voor uitgestorven fossiele vormen, inclusief de mensachtigen. Klassiek probleemgeval is de Neanderthaler. De eerste Neandertal vondsten zijn gedaan in 1830 (Engis, België) en 1848 (Forbes Quarry, Gibralter) maar werden niet als zodanig herkend. In 1856 werd er in een dal (Neanderthal), vlakbij Düsseldorf, een belangrijke vondst gedaan. Daar vonden werklieden fossiele menselijke beenderen die de gemoederen in beroering brachten. Er werden suggesties gedaan als zouden de beenderen afkomstig kunnen zijn van een gedrochtelijke afwijking, een oude Hollander, een zwakzinnige met een waterhoofd of van een uitgestorven mensentype. In 1864 nam William King de opvallende stap de Neandertaler een eigen soortnaam te geven: Homo neanderthalensis. Wetenschappers die de Neandertaler zien als een doodlopende tak die is uitgestorven, gebruiken doorgaans deze soortnaam. Anderen, die deze oermens als een voorouder beschouwen zullen eerder voor de ondersoortnaam Homo sapiens neanderthalensis kiezen.
Het zal duidelijk zijn dat het begrip soort voor paleontologen en paleoantropologen een andere lading heeft dan voor biologen. Voor eerst genoemden zijn kruisingsexperimenten immers onmogelijk en dienovereenkomstig is men volledig afhankelijk van de vorm van het organisme. Men spreekt dan ook wel van morphospecies en paleospecies; op deze manier geeft men aan dat men alleen de vorm heeft kunnen beoordelen. Paleontologen en paleoantropologen waarderen morfologische verschillen in een naam. Cruciale punt is, welke kenmerken gebruik je bij je beoordeling en welk gewicht hang je er vervolgens aan. Met andere woorden, waardeer je gevonden verschillen op soorts- of op ondersoortsniveau.
Alhoewel de Herto
crania stammen uit de tijd van de voorouders van de zogenaamde klassieke
Neandertalers, lijken ze hier volgens White en collega's in het geheel niet
op. Ze stellen dan ook duidelijk: "The Herto crania are thus not Neanderthals".
Als argumentatie voor het gebruik van een nieuwe ondersoortnaam Homo sapiens
idaltu voeren de schrijvers van het artikel aan dat de Herto crania verschillen
van alle andere bekende fossielen mensachtigen. Maar dit argument kan ook
voor veel andere fossiele mensachtigen naar voren worden gebracht. Bovendien,
in beschouwing nemende dat soort-, ondersoort- en variëteitgrenzen in
de biologie lang niet altijd duidelijk zijn en dat we in de paleoantropologie
slechts een deel van het fenotype kunnen beoordelen, is de keuze van deze
naam niet het interessantste aspect. Wat wel interessant is, is feit dat
gesteld wordt dat de morfologie van H. s. idaltu ligt tussen die van "Homo
rhodesiensis" (Bodo en Kabwe) en fossiele vormen van de moderne mens
(Klasies en Qafzeh). Voor zover te beoordelen aan het artikel wordt ons een
prachtige evolutionaire reeks voorgeschoteld, van Bodo, via Kabwe en Herto
naar Qafzeh. Darwin maakte zich ooit zorgen over het ontbreken van fossiele
tussenvormen maar hier wordt hij op z'n wenken bediend. Het ziet er naar
uit dat ons een schitterende evolutionaire reeks wordt voorgeschoteld met
geleidelijke morfologische veranderingen. Dit lijkt een indrukwekkend stuk
bewijs dat evolutie inderdaad geleidelijk kan verlopen.