<< Terug naar het nieuwsoverzicht

‘Een vogel herkent men aan zijn veren’ is een oud spreekwoord waarmee bedoeld wordt dat het uiterlijk wel degelijk iets zegt over de persoonlijkheid. En inderdaad, veel vogelsoorten worden ingedeeld op pluimage. Vorm en kleur van de veren verschillen tussen soorten en vaak zelfs ook tussen ondersoorten. Vogelaars zijn in staat om vogels op soms grote afstand te herkennen alleen al op basis van kleur, en knaagdieren reageren verschrikt op vogelsilhouetten met de veren in roofvogelrangschikking.
Ging de herkenning van vogelfossielen ook maar zo makkelijk. In tegenstelling tot de geweldig goed geconserveerde fossielen uit Spanje en China, ontbreekt aan de fossiele resten van vogels in Nederland ieder spoor van kleur of veer. En dat maakt de determinatie ervan lastig. Veel soorten en ondersoorten lijken veel op elkaar qua uiterlijk.


Een rechter coracoid van een eend (Anas sp.) in mediaal aanzicht. Niet bekend welke soort.

Sla maar eens een willekeurig vogelboek open; pagina’s vol vogeltjes die allemaal op elkaar lijken, maar stiekem toch net even anders zijn. Van binnen zijn ze vaak zo goed als identiek. Verschillen in de bouw van het skelet zijn zeker op ondersoort niveau bijna afwezig of erg subtiel: een beetje rondere condyle, een iets meer ontwikkeld processus of een tikkeltje smaller schacht. De moeilijkheid van het determineren van vogelresten zorgt ervoor dat vogelbotten voor veel verzamelaars in Nederland onbekend terrein zijn. Heel logisch eigenlijk. Want vogelresten zijn dun en bros waardoor ze makkelijk breken. Door hun kleine afmetingen worden ze vaak over het hoofd gezien. Naast een mammoetkies valt een vogelbotje in het niet. Een verzamelaar wiens oog er wel op valt, herkend het vaak niet en beschouwd het als oninteressant. Een vogelbotje moet dus een lange weg afleggen voordat het in iemands verzameling belandt. En dan komt die lastige determinatie weer om de hoek kijken. Gelukkig worden de vogelresten de laatste tijd meer onder de aandacht gebracht waardoor verzamelaars beter in staat zijn om ze te herkennen en verzamelen. Tot enkele jaren geleden waren enkele vondsten bekend van Pleistocene vogels zoals de zeearend uit Tegelen en de reuzenalk uit Velsen. Met de Holt und Haar collectie steeg het aantal vogelfossielen aanzienlijk. Bij nadere bestudering van andere privé collecties blijkt dat ook deze verscheidene vogelresten bevatten. Ook de bijvangsten van kotters op de Noordzee blijken niet alleen te bestaan uit mammoeten, neushoorns en bizons; ook hier worden zo nu en dan vogelresten omhooggebracht. Langzaam word duidelijk dat vogels, net als nu, een belangrijk deel uitmaakten van het Laat Pleistocene ecosysteem.


Een linker humerus van een Lagopus mutus (Alpensneeuwhoen) in lateraal aanzicht.

Vogels maken een significant deel uit van een fauna, en met hun aanwezigheid heeft een wetenschapper een aanzienlijk brok informatie in handen. Vogels worden sterk geassociëerd met de vegetatie, en sommige vogelsoorten stellen specifieke eisen aan hun habitat. Met het systematisch bestuderen en in kaart brengen van deze vondsten kunnen we het plaatje van een Pleistoceen ecosysteem verder inkleuren.
Denkt u vogelresten in uw verzameling te hebben, neem ze gerust mee naar de bijeenkomsten van de WPZ, ik kijk er graag naar.


Hanneke J.M. Meijer
Voor meer informatie over of determinatie van vogelresten: h.meijer@fbw.vu.nl

<< Terug naar het nieuwsoverzicht