<< Terug naar het nieuwsoverzicht

Fossielenvistocht op de Eurogeul met de G0 33 op 17 juni 2005

Door Hansjorg Ahrens

De Stellendamse Eurokotter GO 33 voer op vrijdag 17 juni opnieuw uit naar de Eurogeul om te vissen naar resten van Pleistocene zoogdieren. Op 25 april was het schip reeds met hetzelfde doel in het gebied geweest, waarbij een rijke vangst aan zoogdierbotten uit het Weichselien naar huis werd gebracht. Van deze succesvolle expeditie vindt u elders op deze site een gedetailleerd verslag van André Bijkerk. Nu was de GO 33 gecharterd door een TV-ploeg van de Italiaanse omroep Rai-Uno. Voor de serie SuperQuark schoten ze beelden van de wijze waarop Nederlandse paleontologen wetenschappelijk vondstmateriaal verzamelen en ze maakten tevens opnamen van het visserijbedrijf.

Aan de expeditie deden, naast de drie leden tellende filmploeg, de volgende personen mee: Dick Mol (Cerpolex/Mammuthus, organisatie en leiding), Albert Hoekman (North Sea Fossils), John de Vos (Naturalis, conservator fossiele zoogdieren), Remie Bakker (Manimal Works) en Hansjorg Ahrens (Naturalis). De kotterbemanning bestond uit schipper Maarten de Waal, Hans ’t Mannetje en Tjerk Molensteeg.


Vertrek om 6.00 uur uit de haven van Stellendam


Schipper Maarten de Waal in de stuurhut

Vislocatie
In navolging van eerdere tochten stond het gebied rond de boei Maas Center op het programma. De boei markeert het punt waar grote zeeschepen vanuit de Eurogeul de Maasgeul opdraaien om daarna nog een zevental zeemijlen af te leggen naar de Rotterdamse Haven (Europoort). Tijdens het vissen zagen we de grote baggerschepen aan het werk die de beide geulen op de vereiste 28 tot 30 meter diepte houden en hierbij botten in hun kielzog op de bodem achterlaten, klaar om opgevist te worden door Eurokotters als de GO 33. Steeds met de boomkorkotter op herhaling gaan in een relatief beperkt gebied is vanuit wetenschappelijk oogpunt een logische keuze. Immers, zo wordt hetzelfde traject systematisch bemonsterd en vullen de verzamelde gegevens elkaar aan. Het is daardoor gemakkelijker om statistisch gefundeerde populatiebiologische uitspraken te doen o.a. ten aanzien van leeftijdsopbouw, morfologische patronen, pathologieën, etc., althans wanneer skeletmateriaal in substantiële hoeveelheden bijeen is gebracht. Timmermans (2004) bijvoorbeeld, heeft aldus het bestaan van sexueel dimorfisme (grootteverschil tussen mannetjes en vrouwtjes) kunnen aantonen bij wolharige mammoeten van de Eurogeul.


De GO 33 nadert de boei Maas Center



De eerste kor gaat overboord

Resultaten
De expeditie besloeg een halve in plaats van een hele dag. Helaas moest het korren voortijdig worden afgebroken wegens zeeziekte bij de Rai-Unoploeg. Dit was het gevolg van de nogal heftige zeegang. Daardoor konden slechts een paar trekken worden gedaan. Gelukkig leverden ze toch nog enkele zaken op die de moeite waard waren. Een overzicht van wat in de sleepnetten naar boven kwam:

Hout
Zoals André Bijkerk in zijn verslag van de vorige tocht reeds aangaf, is de grote hoeveelheid (sub)fossiel hout op de bodem van de Eurogeul erg opmerkelijk. In Pleistocene afzettingen die onder meer in zuiggaten worden ontsloten wordt hout nooit in zulke grote hoeveelheden opgebaggerd. In de Eurogeul moet dus iets bijzonders aan de hand zijn. Opvallend is dat veel stammen zeer zacht zijn en nog steeds hun oorspronkelijke vorm en uiterlijk hebben. Dit betekent dat de houtcellen niet zijn ingeklapt als gevolg van dehydratie. De stammen moeten dus duizenden jaren lang waterdoordrenkt zijn gebleven; mineralisatie heeft daarbij nog onvoldoende plaats kunnen vinden. Uit het feit dat veel houtstukken gerold zijn, is misschien af te leiden dat de zee tijdens transgressiefasen in interstadialen van het Weichselien of in het vroege of latere Holoceen bossen of bosveen heeft overspoeld en het hout in het water heeft doen belanden. Een minder heftige oorzaak is ook mogelijk. De stammen kunnen in het vroege Holoceen via de Maas of de Rijn in zee terecht zijn gekomen en daar zijn gezonken. Regelmatige aanvoer van een klein aantal stammen per jaar is voldoende om in de loop van de eeuwen een enorm pakket op de zeebodem te vormen. Subfossiel hout op de zeebodem beperkt zich overigens niet tot de Eurogeul. Langs de hele Nederlandse kust liggen grote hoeveelheden. De enorme pakketten die na winterstormen op het strand belanden getuigen hiervan. Hoe dan ook: voor meer duidelijkheid over de herkomst en ouderdom van het Eurogeulhout moeten we de resultaten afwachten van lopend onderzoek van de paleobotanici Jan Peter Pals en Bas van Geel van de universiteit van Amsterdam.


De inhoud van het net wordt gestort in een bak


Slagtand van een mammoet en hout, veel hout


Fossiele landzoogdieren
Onder het opgeviste materiaal bevonden zich deze keer hoofdzakelijk resten van de wolharige mammoet, met name heupbeenderen. Twee fragmenten bleken aan elkaar te passen hetgeen opmerkelijk is aangezien het ene fragment door de bakboord- en het andere door de stuurboordkor werd opgevist. Ze moeten dus minstens vijftien meter uit elkaar hebben gelegen op de bodem van de Eurogeul. Het bewijst dat botten worden verplaatst door zeestromingen, door sleepnetten, door steeds terugkerende baggerschepen of door waterwervelingen die veroorzaakt worden door zware scheepsschroeven.

De volgende skeletelementen kwamen naar boven:

Mammoet Mammuthus primigenius Blumenbach, 1799

- fragment pubis / ischium
- fragment ilium
- fragment slagtand (gezien de beperkte diameter waarschijnlijk van een vrouwtje)
- triquetrum van een jong individu
- distale epiphyse van een ulna
- doornuitsteeksel van een borstwervel van een jong individu

Rendier Rangifer tarandus Linnaeus, 1758

- fragment borstwervel


Paard Equus caballus Linnaeus, 1758

- calcaneum


Wisent Bison priscus Bojanus, 1827

- astragalus
- fragment metatarsus



De oogst aan botten

Ellepijp en dijbeen van de mammoet zijn de vorige tocht opgevist.
Nu dienden ze als rekwisieten voor de filmopnamen.

Opvallend was weer de haarscherpe conservering van de botten. Ze lijken nauwelijks door water of anderszins te zijn getransporteerd en tonen een ongekende rijkdom aan detail. Dat maakt ze ook zo interessant om variatiebreedte in skeletmorfologie te onderzoeken. Bij botten van andere vindplaatsen is dat een stuk moeilijker doordat minuscule anatomische details (ruwe plaatsen voor spieraanhechting, gewrichtsranden, werveluitsteeksels, etc.) veelal zijn afgesleten.

Tijdens het drogen op het dek van de GO 33 namen de botten geleidelijk de voor de Eurogeulfossielen zeer karakteristieke lichtbruine tot roze kleur aan. Verder viel op dat sommige botten bedekt zijn met een zeer dun laagje verkit sediment. Deze verkittingen kunnen mogelijk iets vertellen over de postdepositionele geschiedenis. Bij de verkittingen, die vaker te zien zijn op Eurogeulmateriaal, gaat het om ijzerafzettingen die mogelijk geïnduceerd zijn door zoete Fe-houdende grondwaterkwel op de overgang naar zout water. Het proces kan goed hebben plaatsgevonden tijdens mariene transgressies in het Holoceen (F. Wesselingh pers. comm.). Zelfs zou de oprukkende zee Pleistocene botten uit oorspronkelijke lagen kunnen hebben gespoeld en ze hebben geconcentreerd, overigens zonder ze noemenswaardig te transporteren. Dit transgressie/reworkingscenario is minder onwaarschijnlijk dan het lijkt: op sommige botten zien we namelijk in de verkittingen mariene schelpen zitten (type nonnetje) die er erg jong uitzien.


Verkittingen en schelp op een mammoetbot uit de Eurogeul

Mollusken

- Geknobbelde hartschelp Acanthocardia tuberculata Linnaeus, 1758
- Grote kokkel Cerastoderma edule forma major Linnaeus, 1758

Deze beide mollusken zijn belangrijke elementen in het fossielenspectrum van de Eurogeul. Ze hebben echter niets te maken met de Pleistocene botten die worden opgevist.


Geknobbelde hartschelp Acanthocardia tuberculata

Acanthocardia dateert uit het Eemien en wijst dus op warme in plaats van koude omstandigheden (F. Wesselingh pers. comm.). Acanthocardia kwam regelmatig aan dek ingepakt in dikke klonten grijze klei, kennelijk het sediment waarin de schelpen zijn afgezet. Een volgende tocht is het beslist de moeite waard om van dit sediment monsters te nemen en dit te onderzoeken op minerale samenstelling en de aanwezigheid van microfossielen zoals foraminiferen. In ieder geval kunnen we uit de aanwezigheid van Acanthocardia concluderen dat in de Eurogeul twee verschillende fauna’s elkaar ontmoeten: een ‘koude’ terrestrische fauna uit het Weichselien (grofweg tussen de 28.000 en 50.000 jaar oud) en een ‘warme’ mariene fauna uit het laatste interglaciaal, circa 115.000 jaar geleden. Potentieel zouden we in de Eurogeul dus ook (ingespoelde) landzoogdieren uit het Eemien kunnen verwachten zoals de bosolifant en het nijlpaard. Tot dusver zijn die hier niet aangetroffen.


Grote kokkel Cerastoderma edule


Cerastoderma edule, een kokkel van grote afmetingen. Komt in vergelijkbare hoeveelheden als Acanthocardia in de Eurogeul voor. Opvallend verschil is het verse uiterlijk: Acanthocardia is zwaarder gefossiliseerd en heeft zijn oorspronkelijke kleur verloren. De taxonomische positie van Cerastoderma edule is nog niet duidelijk. Men is het er nog niet over eens of het gaat om een variëteit, een ondersoort of misschien om een aparte soort (F. Wesselingh pers. comm.). Ook is onbekend uit welke lagen de kokkel komt. Gezien de goede conservatie zal het waarschijnlijk om een post-Eemienouderdom gaan. Laban & Van den Berg (2003) melden C-14 dateringen van Cerastoderma uit de Noordzee, variërend van 28.500 tot 37.000 jaar geleden, ongeveer even oud dus als een groot deel van de opgeviste fossielen van landzoogdieren zoals de mammoet. Als de dateringen kloppen, dan moeten de kokkels uit Weichselienlagen komen die ingebed liggen tussen (peri)glaciale terrestrische afzettingen. Het is echter de vraag of dat voor de Eurogeul op kan gaan, want de landzoogdieren worden hier opgevist van een diepte van ongeveer 29 meter. Rond 35.000 jaar geleden echter, in koude fasen, stond de zeespiegel tientallen meters lager: de zee was dus toen hoogstwaarschijnlijk niet in de buurt van de Eurogeul en kan er in dat geval ook geen sedimentpakketten hebben neergelegd. Er is hoe dan ook nader onderzoek nodig naar de correlatie tussen de schelpen en de zoogdierfossielen in het Eurogeulgebied.


Terugkomst in de haven van Stellendam


Referenties

Hansjorg Ahrens
ahrens@naturalis.nl

<< Terug naar het nieuwsoverzicht