<< Terug naar het nieuwsoverzicht
Roompot revisited: CERPOLEX/Mammuthus exploreert diepe geulen in het zuidelijke deel van de Oosterschelde
Op etiketten van de Oosterscheldefossielen in de collecties van het Zeeuws
Museum in Middelburg en van Naturalis in Leiden vind je vaak opschriften
als “Put van Domburg”, “Put van Oostkapelle”, “Oosterhoofd”, “Oosterschelde
voor Wissenkerke”, “Vrouwenpolder” of “Schaar van
Colijnsplaat”. Wie een blik op de kaart werpt, ziet dat deze plekken
in het zuidelijke deel van de Oosterscheldemonding liggen, aan de noordkant
van Walcheren en Noord-Beveland. We hebben het hier over een diep geulengebied
dat ten westen van Domburg in de Noordzee begint en dat landinwaarts doorloopt
tot aan de Zeelandbrug, de verbinding tussen Zierikzee en Colijnsplaat.
De “Roompot” is de verzamelnaam voor dit gebied. Een naam met
een welhaast mythische lading, want in het verleden zijn hier fraaie fossielen
opgevist van Pre-Tiglien en Tiglien ouderdom (TC3 = ca. 1.9 miljoen jaar
oud). Onder de opgeviste zoogdieren vinden we uiteenlopende soorten als
de Zuidelijke mammoet Mammuthus meridionalis, een mastodont Anancus
arvernensis, de Etruskische neushoorn Dicerorhinus etruscus,
een fors gebouwd paard Equus bressanus, een groot hert Eucladoceros
ctenoides, en Cervus rhenanus, een hert dat kleiner van stuk
is. Maar ook zeezoogdieren als Alachtherium, een grote walrus, en walvisachtigen
zijn naar boven gekomen. De walvisfossielen zijn mogelijk ouder: ze stammen
waarschijnlijk uit het Plioceen (ongeveer 4 – 2,5 miljoen jaar geleden).

Kies
van de Zuidelijke mammoet, uit de Roompotcollectie van Naturalis
Roompot
zeezijde
In
de buitengaatse Roompot, aan de zeekant van de stormvloedkering, ligt op ongeveer
510 Noorderbreedte en 30 Oosterlengte een groot concessiegebied van een schelpenzuigerij, “Onrust” genoemd.
Schelpen – recent en fossiel - die hier worden opgezogen door de zand-
en schelpenzuiger Eemshorn, worden in Yerseke gestort op de terreinen van de
kalkbranderijen van Louwerse en Van de Endt. Bij verzamelaars staan deze schelpenhopen
al jaren bekend als vindplaats van zwaar versteende fossielen met een donkere,
blauw-bruine kleur, dus kennelijk van hoge ouderdom. Onrust is een interessante
locatie, omdat deze enkele jaren geleden ook een carnivoor heeft opgeleverd:
de sabeltandtijger Homotherium latidens, waarvan amateurpaleontoloog
Kees van Hooijdonk een hielbeen op de schelpenhopen in Yerseke aantrof. Een
beschrijving van dit stuk is te vinden op http://www.geocities.com/fossilnet_2
CERPOLEX/Mammuthus
sondeert de Roompot
De
roem die de Roompot geniet als leverancier van zwaar gemineraliseerde zoogdierresten
was voor CERPOLEX/Mammuthus reden om de Zierikzeese mosselkotter ZZ 10 op 5
september in te huren voor een visexpeditie. Een middag werd voldoende geacht
om de diverse vindplaatsen in het uitgebreide geulengebied te verkennen. De
leiding over de expeditie was in handen van Dick Mol en Klaas Post en aan het
roer stond Jaap Schot, de schipper die samen met zijn bemanning elk jaar zorgt
voor een geslaagde Kor en Bottocht in De Hammen, het diepe geulengebied aan
de noordzijde van de Oosterschelde. Ook nu wisten Jaap en zijn mannen met hun
kennis van het gebied de diepe putten van de Roompot feilloos te vinden en
te bevissen met de mosselkor. Naast eerder genoemde personen waren aan boord:
Kees van Hooijdonk, Albert Hoekman (medewerker van Klaas Post), en John de
Vos en Hansjorg Ahrens van Naturalis. Kees had een kopie van een maritieme
kaart op zak, waarop hij de zuigconcessie van de Eemshorn door de zuigerbaas
had laten intekenen.

Kaart
van de buitengaatse Roompot; het gearceerde gebied is de Onrust
De CERPOLEX/Mammuthus-expeditie had vooral een explorerend karakter. Mooie fossielen scoren was niet de opzet. Eerder was het van belang de verschillende oude vondstlocaties in de Roompot te sonderen en te kijken welke plekken de moeite waard zijn om in latere tochten systematisch te bevissen. De Roompot wordt ook gezien als goede vergelijkingsmogelijkheid met diepe delen van de Noordzee, waar eveneens met enige regelmaat zwaar gefossiliseerde zoogdierresten worden opgevist uit het begin van het Pleistoceen.
Oud, ouder,
oudst
Hoe
oud is het in de Roompot eigenlijk allemaal? Die vraag lijkt gemakkelijk te
beantwoorden maar is het niet, want de situatie in de Roompot is behoorlijk
complex. De Roompotfossielen behoren tot verschillende fauna’s, met een
verscheidenheid aan ouderdommen. Er is een breed spectrum, dat varieert van
Holoceen tot, voor wat betreft de mollusken, Oligoceen (Pycnodonte soorten)
en Eoceen (Megacardita planicosta lerichei). Het meest spectaculaire
deel van de Roompotfauna is die van de Maassluis-Formatie uit het Vroeg-Pleistoceen.
Het gaat hier om zowel koude als warme fauna’s. Verder komen er mariene
Pliocene fauna’s voor, waarin verschillende walvisachtigen en pinnipedia
vertegenwoordigd zijn.
Het merkwaardige van de Roompotfauna’s is dat in de omgeving (boring Vrouwenpolder) Vroeg-Pleistocene en Pliocene afzettingen op vrij grote diepte voorkomen – 47 meter Vroeg-Pleistoceen, 53 meter Plioceen - terwijl fossielen uit deze afzettingen in de Roompot van geringere diepte zijn opgevist. Als verklaring is al eens de mogelijkheid geopperd dat materiaal vanuit het gebied waar nu de Westerschelde stroomt, verspoeld is geraakt en terecht is gekomen in een oude stroomgeul voor de kust van Noord-Beveland. Geremanieerd dus. Die verspoeling van materiaal uit oudere lagen zou kunnen zijn gebeurd tijdens de Holocene transgressie, toen de Noordzee verder oprukte en de loop van de Scheldestroom sterk veranderde. Het kan ook verklaren waarom er in de Oosterschelde relatief weinig Pleistocene zoogdierresten te vinden zijn. Waarschijnlijk zijn afzettingslagen uit het IJstijdvak eveneens opgeruimd.

De
eerste kor wordt binnen gehaald (foto John de Vos)

Gretig
wordt de inhoud doorzocht (foto John de Vos)
De eerste
korren plompen de diepte in
Schipper
Jaap Schot koerste als eerste aan op het Onrustgebied in de buitengaatse Roompot,
net achter de stormvloedkering, het op de kaart gearceerde gebied waar de schelpenzuigers
actief zijn. De eerste kor werd de diepte ingestuurd en de verwachtingen waren
hooggespannen. We zouden hier een soort Eurogeulsituatie kunnen aantreffen,
waarbij de schelpenzuigers alleen de schelpen en kleinere botten opgezogen
hebben, terwijl ze grote stenen en bovenmaatse botten op de bodem lieten liggen.
Klaar om opgevist te worden door de hongerige korren van de ZZ 10. De werkelijkheid
bleek echter anders: de korren bleven hardnekkig leeg, op recente schelpen
en een enkele fossiele na. Wel kwamen grote klonten basisveen en stukken kienhout
omhoog, maar die zijn op zijn best Vroeg-Holoceen. Ook na meerdere trekken
veranderde de situatie niet. In de korte tijd die beschikbaar was, kon niet
het hele gebied bevist worden. Mogelijk zijn plekken waar fossielen geconcentreerd
bijeen liggen gemist, maar het kan ook zijn dat de mosselkorren te veel over
de bodem aaien en er niet diep genoeg in doordringen. En het is natuurlijk
ook mogelijk dat door de schelpenzuiger losgewoelde fossielen naderhand door
de stroming zijn toegedekt met zand. Door de werking van eb- en vloed verandert
de zeebodem immers dagelijks. Omdat er na een tiental trekken nog steeds geen
bot in de kor zat, besloot de expeditieleiding om de resterende tijd te besteden
aan exploratie van Roompotgeulen bínnen de Oosterscheldedam.
Eindelijk
raak in de schaar van Colijnsplaat
De
zoektocht werd hervat voor de kust van het dorpje Wissenkerke (Noord-Beveland).
Daar kwamen wat fragmenten in de kor terecht van de Pleistocene strandschelp
Mactra corallina plistoneerlandica. Een goed teken, maar nog steeds geen botten,
en het liep al tegen vijf uur. Om niet met lege handen huiswaarts te hoeven
keren, opperde Dick Mol “Dan maar op naar de Schaar van Colijnsplaat.
Vangen we geen botten, dan kunnen we in ieder geval met een Nehalennia-altaar
thuis komen.” Geen gekke gedachte, want in de Schaar zijn in 1970 –1971
fragmenten van bijna tweehonderd stenen altaren opgevist, gewijd aan de inheems
Romeinse godin Nehalennia. Dat wil zeggen: van één bepaalde plek
op 25 meter diepte, rond de zandplaat De Vuilbaard, ten noordwesten van Colijnsplaat.
In de Romeinse tijd was Nehalennia de beschermvrouwe van zeelui die op de Oosterscheldestromen en de Noordzee voeren. Graanschippers die naar Engeland zeilden – het zullen eerder geromaniseerde Galliërs geweest zijn dan geboren Romeinen - richtten als dank voor een behouden thuiskomst een votiefsteen voor Nehalennia op.
In 1971 huurde het Rijksmuseum van Oudheden een maand lang de boomkorkotter van K.J. Bout uit Tholen in, om gericht op de altaarstenen te vissen. Eerder, op 14 april 1970, had schipper Bout tijdens het vissen op platvis de eerste twee fragmenten in zijn netten gekregen en de vondst aan het museum gemeld. Het doel van de viscampagne was zoveel mogelijk van het heiligdom te redden.
De Nehalennia-tempel dateert uit de tweede tot derde eeuw na Christus. Vanaf het eind van de derde eeuw raakte het complex verspoeld, toen de zee grote stukken van de kust wegsloeg, wat trouwens langs de hele Nederlandse kust gebeurde.
Waarschijnlijk bevindt een deel van het heiligdom zich nog onder De Vuilbaard. Enkele trekken in de buurt van de zandplaat leverden inderdaad scherven terra sigillata op, het bekende rode slibaardewerk. Ook een randfragment van een wrijfschaal en een plavuis, mogelijk onderdeel van een steunpilaar van een hypocaustumvloer, de Romeinse “centrale verwarming”, kwamen naar boven.
Het is bekend dat zich in de Schaar van Colijnsplaat ook veel Laat-Pleistocene zoogdierfossielen bevinden. Samen met de altaarfragmenten kwamen in de jaren ’70 althans grote hoeveelheden botten uit het Weichselien naar boven, van onder meer de mammoet, de wolharige neushoorn, het reuzenhert en de steppenwisent. Toen de archeologen de Nehalennia-vondsten op de binnenplaats van het Rijksmuseum van Oudheden bijeen brachten, stapelden zij honderden botten op tegen de muren van het museum. Later zijn deze botten terecht gekomen in de collectie van Naturalis.
Kaak van
een wild zwijn
Tijdens
een van de laatste trekken in de Schaar van Colijnsplaat bracht de ZZ10 enkele
bruine botten naar boven: een ellepijp van een zeehond, een stukje slagtand
van een mammoet en een onderkaak van een wild zwijn, een prachtexemplaar. Het
slagtandfragment is natuurlijk Pleistoceen, maar de ellepijp van de zeehond
en de kaak van het zwijn zouden uit het Holoceen kunnen stammen. Het is niet
ondenkbaar dat de zwijnekaak Romeins is. De kaak zal C14 gedateerd worden,
en dan weten we het zeker.
Het is een rechter onderkaak van een fors gebouwd dier. Obelix zal er een flinke kluif aan hebben gehad. Vanwege de grootte is geen vergissing mogelijk met het gedomesticeerde varken, dat is beduidend kleiner van stuk.

De
onderkaak van een wild zwijn (foto: John de Vos)
In de kaak zijn nog vier kiezen aanwezig: de laatste premolaar (P4) en de complete rij molaren (M1-M3). De eerste twee molaren zijn behoorlijk aangekauwd, wat er op duidt dat dit varken een liefhebber is geweest van plantaardig voedsel. Het zal zich zeker thuis hebben gevoeld in de uitgestrekte bossen, die nog tot in de Romeinse tijd Nederland bedekten.
Een deel van de kaak was afgebroken. Napluizen van de korinhoud op het dek bracht het verloren stuk alsnog aan het licht. Het was een mooi moment toen Klaas Post, de gelukkige vinder, het brokstuk aan de kaak pastte.

De
ellepijp van een zeehond (foto John de Vos)
Terugblik
Dankzij
deze vondsten heerste er toch tevredenheid over de afloop van de expeditie.
Maar tevens was duidelijk dat we de situatie in de Roompot in de korte
tijd niet voldoende in kaart hebben kunnen brengen. De beroemde grote walviswervels
bijvoorbeeld, knoerten waarop je kunt zitten, kregen we niet in de kor.
En ook Tiglien- of Pre-Tiglienfossielen als een kies van de Zuidelijke
mammoet of van de mastodont, al is het maar een fragment, bleven buiten
het bereik van de ZZ10. Ze moeten er zeker liggen, maar om ze in de korren
te krijgen is het nodig om meer plekken te bemonsteren. En vooral ook langere
trekken te maken. Niet alleen in de diepe putten, maar ook in de ondiepe
delen. Het door de schelpenzuiger Eemshorn aangevoerde hielbeen van Homotherium
bijvoorbeeld, is opgezogen van slechts 15 meter diepte, het maximale bereik
van de zuiger. De Roompot heeft haar geheimen dus niet prijs gegeven. Alle
reden voor een herhalingsoefening, liefst met een boomkor, die vist breder
en woelt ook dieper in de bodem.

Een
stukje slagtand van de mammoet (foto John de Vos)
Hansjorg Ahrens
ahrens@naturalis.nl